Lumen staat op elk datasheet, en het is precies het getal waarop u een armatuur níet moet kiezen. Wat op uw terrein of veld terechtkomt, is lux, en daartussen zitten de bundel, de montagehoogte en het verlies van het armatuur zelf.
Deze pagina zet de vier grootheden op hun plek, laat met een berekening zien hoeveel van de lumen daadwerkelijk op het terrein landt, en geeft de vijf punten waarop u een lumenopgave in een datasheet controleert.
Tussen die twee zit de bundelvorm (candela), de afstand tot het oppervlak en het verlies binnen het armatuur zelf. Bij buitenverlichting landt gebruikelijk 40 tot 55% van de uitgezonden lumen op het vlak dat u wilde verlichten. De rest gaat naar de omgeving, en dat is precies waar lichthinder ontstaat.
Ze meten alle vier iets anders, en de verwarring kost geld: een bestek dat lumen eist in plaats van lux, laat zich niet controleren bij oplevering.
Lumen per watt, lm/W. De verhouding tussen wat er uitkomt en wat u betaalt. Dit is de waarde waarop energieprestatie en terugverdientijd rusten, en tegelijk de waarde die op datasheets het vaakst wordt opgepoetst.
De DarkLicht-serie die wij op terreinen en velden toepassen, haalt 172 lm/W netto: gemeten aan het complete armatuur, driververlies inbegrepen. Hoe u dat getal met dat van een ander vergelijkt, staat hieronder onder de vijf controles.
De tweede is de kwadratenwet: de verlichtingssterkte op een punt is de lichtsterkte in die richting gedeeld door het kwadraat van de afstand. Verdubbel de masthoogte en u houdt op datzelfde punt een kwart van de lux over. Dat is de reden dat hogere masten meer of sterkere armaturen vragen, en waarom een lumenopgave zonder montagehoogte niets zegt.
Een rekenvoorbeeld: een containerterminal van 200 × 120 m die op 50 lux moet komen, met zes masten van 25 m en drie armaturen van 600 W per mast. Achttien armaturen dus, samen 10,8 kW: op een terminal is die opstelling gebruikelijker dan één zwaar armatuur per mast, omdat u er de bundels mee over het terrein verdeelt. De rekensom is narekenbaar, en het antwoord is het sterkste technische argument dat wij hebben.
Een aanname: 4.000 branduren bij schemerschakeling en een open terrein zonder obstakels. Op een groot aaneengesloten terrein valt dit percentage hoger uit dan op een begrensd vlak, omdat de bundels van naburige masten op bruikbaar oppervlak overlappen in plaats van erbuiten. Op een wedstrijdveld van 100 × 64 m komt hetzelfde rekenwerk op 62% uit, bij een groter veld op 59%. In alle drie de gevallen is het de bundelvorm die het doet: een vlakstraler houdt het licht op het vlak in plaats van eromheen.
Twee armaturen met dezelfde lumen en hetzelfde vermogen kunnen op het veld tientallen procenten verschillen. Het verschil zit in de optiek en in wat er buiten het veld terechtkomt. Dat verlies betaalt u twee keer: in extra armaturen om de norm te halen, en in hinder naar de omgeving.
Een full cut-off armatuur straalt per definitie niets boven de horizontaal uit. Alles wat het uitzendt gaat dus omlaag, en de vraag is alleen nog hoe strak het op het vlak wordt gehouden.
Vraag bij een vergelijking dus niet om lumen per armatuur, maar om de lichtberekening met het aantal lichtpunten, de lux op het terrein en de uniformiteit. Dan vergelijkt u installaties in plaats van datasheets.
De DarkLicht M300 geeft 51.300 lumen en de Shark 50.000: bijna dezelfde lichtstroom, twee verschillende taken. Dat verschil ziet u niet in het lumengetal, wel in de lichtberekening.
Op elk datasheet staan de lichtstroom, het vermogen en het fotometrische bestand waarmee wij de berekening maken; die downloadt u zonder formulier. Voor grote zones vanaf hoge masten zijn de vlakstralers het uitgangspunt, en wat er op een mast past staat op lichtmasten en high mast.
Lumen is geen leugen, maar het is wel een getal met voorwaarden. Deze vijf vragen halen de meeste appels-met-perenvergelijkingen eruit. Staat het antwoord er niet bij, dan is dat zelf al een antwoord.
Richtwaarden, geen harde eisen: EN 12464-2 werkt met taken en zones, niet met één getal per terreintype. Wat uw zone vraagt, hangt af van de taak die er wordt uitgevoerd en van het verkeer dat er rijdt.
Er hoort altijd een tweede eis bij: de uniformiteit. Honderd lux met donkere gaten ertussen is onbruikbaar, en op een sportveld is het reden tot afkeuring. En reken met onderhouden waarden, niet met nieuwwaarden: de onderhoudsfactor spreekt u vooraf af.
Chiprendement tegenover systeemrendement, en hoe netto lm/W doorwerkt in de terugverdientijd.
Wat 3000, 4000 en 5700 K buiten doen, en waar amber en dark sky horen.
Hoe u een levensduuropgave leest, en waarom een getal zonder LB-code niets zegt.
Alle onderwerpen bij elkaar staan op subsidie en kennisbank.
Gaat uw vraag over uw eigen terrein of veld, dan is een lichtberekening sneller dan een uitleg. Die maken wij kosteloos, en u krijgt binnen één werkdag antwoord van een engineer.
Lumen is de totale hoeveelheid licht die een armatuur uitzendt, in alle richtingen. Lux is hoeveel daarvan op een oppervlak terechtkomt: één lux is één lumen per vierkante meter. Duizend lumen verdeeld over één vierkante meter geeft 1.000 lux; dezelfde duizend lumen over tien vierkante meter geeft 100 lux.
Lumen telt al het licht op, ongeacht de richting. Candela meet de lichtsterkte in één bepaalde richting, per ruimtehoek: één candela is één lumen per steradiaal. Twee armaturen met dezelfde lumen kunnen totaal verschillende candela-waarden hebben, en dus een heel andere bundel.
Alleen als u weet over welk oppervlak het licht wordt verdeeld, en dan nog is het een schatting. Lux op een echt terrein hangt af van de bundelvorm, de montagehoogte, de kantelhoek, reflecties en overlap tussen lichtpunten. Daarvoor bestaat de lichtberekening met het fotometrische bestand van het armatuur.
Omdat het erom gaat hoeveel van die lumen op het vlak landt dat u wilde verlichten. Bij buitenverlichting is 40 tot 55% gebruikelijk; de rest verdwijnt naar de omgeving. Een armatuur met minder lumen maar een betere optiek kan meer lux op het veld geven, en veroorzaakt onderweg minder hinder.
Die werkt kwadratisch: E = I ÷ d². Op hetzelfde punt levert een verdubbeling van de afstand een kwart van de lux. Toch is hoger monteren vaak juist beter, omdat het licht dan onder een kleinere hoek op het vlak valt: minder kantelen, minder verblinding en minder hinder naar de omgeving.
De gevraagde verlichtingssterkte in lux op het te verlichten oppervlak, met een uniformiteitseis, als onderhouden waarde, met de onderhoudsfactor en de zone-eisen voor lichthinder erbij. Niet een aantal lumen per armatuur: dat is niet te controleren bij oplevering.
Uniformiteit is de verhouding tussen het laagste en het gemiddelde lichtniveau. Honderd lux met donkere gaten ertussen is onbruikbaar: een bal of een heftruck verdwijnt in de schaduw. Bij sportnormen is de uniformiteit een aparte eis en reden tot afkeuring als die niet gehaald wordt.
Omdat elke installatie in de loop van de jaren minder licht geeft door veroudering en vervuiling. De norm eist dat het niveau ook aan het eind van de onderhoudsperiode gehaald wordt. De onderhoudsfactor die u daarvoor aanhoudt, spreekt u vooraf af; die keuze bepaalt het aantal armaturen.
Dat hangt af van de taak, niet van het terreintype: EN 12464-2 werkt met taken en zones. Grofweg 5 tot 10 lux voor looppaden, 20 lux voor regulier voertuigverkeer, 50 lux voor overslag en containerhandling, 100 lux voor werk met detail en 150 lux in een laad- en loszone. Boven de 150 lux gaat het om inspectie en keuring, en dan is de kleurweergave net zo belangrijk als het niveau.
Stuur een plattegrond of een schets met de afmetingen. U krijgt een lichtberekening met de lux op het oppervlak, de uniformiteit, het aantal lichtpunten en het vermogen. Kosteloos, en binnen één werkdag antwoord van een engineer.